Does Classroom Use of Computers Cause Gains in Students’ Academic Achievement?

Robert (Bob) Slavin begins this way:

A decade ago when a surge of interest in placing computers in classrooms was joined to available public and private money, U.S. schools went on a rampage of buying and distributing devices to students and teachers. At that time I wrote a post about a puzzling fact that was overlooked or simply ignored:  With increased access to new technologies, there is little reliable and valid evidence showing that these technology investments have yielded gains in student achievement.

How does he look at it today?

 

Bron: Does Classroom Use of Computers Cause Gains in Students’ Academic Achievement?

Advertentie

Mag ik mijn geld terug? Onderwijs en Covid19

Ik werd afgelopen week door NOS op 3 geïnterviewd n.a.v. een petitie die aan de overheid ingediend werd over restitutie van het betalde collegegeld wegens “slecht’ online onderwijs. Ik heb lekker driekwartier met eindredacteur Roel van Niekerk gesproken, maar je weet hoe dat gaat: Je geeft een interview van 45 minuten en uiteindelijk komen er twee of drie soundbites in het programma. Vandaar dat ik gekozen heb om mijn antwoorden op zijn vragen hier te publiceren.

Even een noot vooraf:
Docenten op alle niveaus (ho, mbo, vo, po) hebben hun stinkende best gedaan om in deze ‘oorlogszone’ van de ene op de andere dag hun hele onderwijsaanpak aan te passen aan deze noodsituatie. Zij moesten roeien met de riemen die zij hadden en deze riemen waren minimaal! Zij kregen geen enkele voorbereidingstijd, zij moesten werken met commerciële vergaderprogramma’s zoals Zoom en Teams die niet voor onderwijs ontwikkeld zijn, zij hadden geen beschikking over specifieke gereedschappen voor afstandsonderwijs (m.u.v. de Open Universiteit), enzovoorts. En docenten deden dit zonder enige training, vooropleiding of ervaring in het verzorgen van afstandsonderwijs.

Zij verdienen over de hele linie (uitzonderingen daargelaten) onze grote dankbaarheid en respect. Doe ze maar na!

Vraag 1: Wat weten we uit onderzoek van laatste 20 jaar over online versus offline leren?

  • Ten eerste noem ik het niet online leren, maar afstandsonderwijs. De meeste studies laten zien dat afstandsonderwijs van hoge hoge kwaliteit is. Het niveau doet niet onder voor ‘fysiek/contact’ onderwijs en uit de visitaties in Nederland sinds de oprichting van de Open Universiteit is het cursusmateriaal meestal beter beoordeeld dan de traditionele universiteiten.
  • De meeste onderzoekingen laten zien dat studenten die afstandsonderwijs volgen ook even veel leren als studenten in een face-to-face setting.
  • Studentretentie (d.w.z. hoeveel studenten het volhouden) is bij afstandsonderwijs een stuk minder. M.a.w. uitval is beduidend hoger.
  • Het blijkt ook dat het zelf kunnen managen van je eigen tijd en het zelf kunnen organiseren van je studeerwerkzaamheden (studeren, lezen, werken aan opdrachten…) – ofwel zelfgereguleerd leren – van het allergrootste belang zijn. Als je op afstand studeert maar niet over deze vaardigheden beschikt, dan zal je het zeer moeilijk krijgen (zachtjes uitgedrukt).
  • Ook laat het onderzoek zien dat de ‘betere’ studenten het beter doen als het om afstandsonderwijs gaat. ‘Zwakkere’ studenten hebben beduidend meer problemen. Dit geldt ook voor leeftijd: ho studenten (universiteit/hogeschool) hebben iets mindere moeite dan vo-leerlingen en die hebben het weer iets makkelijker dan po-leerlingen.
  • Let wel, de meeste onderzoekingen gaan over open afstandsonderwijs / universiteiten / leven lang leren. Studenten in het traditionele ho zijn van een andere studentpopulatie, zijn vaak in een andere levensfase, hebben zelf gekozen voor de vrijheden die afstandsonderwijs biedt met betrekking tot wanneer, waar en hoe lang je gestudeert, enzovoorts. Studenten die studeren aan traditionele universiteiten zijn anders en, misschien belangrijker, hebben niet gekozen voor leren op afstand.

Vraag 2: Wat weten we van onderzoeken van dit jaar over online leren tijdens covid?

  • Hier weten wij zeer weinig over. Het onderwijs is pas half maart begonnen. De eerste onderzoekingen konden pas daarna worden uitgevoerd en men is nu bezig de data te analyseren en/of de resultaten op te schrijven. Artikelen hierover zullen pas de komende winter en lente in de wetenschappelijke tijdschriften verschijnen.
  • Met betrekking tot deze studies is de vraag: Waarmee wordt er vergeleken / wat is de controleconditie? En hoe wordt er gecontroleerd voor allerlei factoren die ook van invloed kunnen zijn? Ik vrees dat de kwaliteit van dit onderzoek behoorlijk te wensen over zal laten en ik zeg dit als editor van twee wetenschappelijke tijdschriften!
  • Wat wij nu hebben is weinig meer dan anekdotes of het soort onderzoek in de trant van: Wat meen jij als docent dat leerlingen/studenten hebben geleerd? Of onderzoek dat aan studenten/leerlingen vraagt: Wat denk je dat je geleerd hebt? Denk je dat je meer, evenveel, minder hebt geleerd dan…?. Wat vond je van het onderwijs? Zulk zogenaamd onderzoek, gebruikmakend van vragenlijsten naar meningen van docenten of studenten, zegt niets over wat er werkelijk geleerd is.

Vraag 3: Hoe goed is het online onderwijs dat nu wordt gegeven?

  • Zoals ik zei, het is roeien met de riemen, en vaak minimale riemen, die je hebt. Er was geen specifieke software, geen goed ontworpen en ontwikkeld cursusmateriaal voor afstandsonderwijs, geen specifieke roosters hiervoor, geen aangepaste / passende tentaminering, enzovoorts.
  • Ik vergelijk het met een ziekenhuis in een oorlogszone of rampgebied ten opzichte van bijvoorbeeld een normaal academisch ziekenhuis. Normaal onderwijs is een operatiekamer in een academisch ziekenhuis. De operatie is vooraf goed gepland, de OK is volledig ingericht met state-of-the-art apparatuur, alles is gesteriliseerd en op z’n plaats, er is een volledig team van artsen, specialisten, anesthesiologen, verpleegkundigen, er is back-up apparatuur voor als het nodig zal blijken te zijn, enzovoorts.
  • Wat wij hebben meegemaakt noem ik, met dank aan collega Chuck Hodges c.s., emergency remote teaching (noodonderwijs op afstand). Vergelijk het voorgaande punt met een MASH (mobile army surgical hospital) in een oorlogszone of rampgebied. Niets is voorbereid qua planning en inzet, er is een minimum aan apparatuur, mensen moeten vaak taken uitvoeren waar ze niet voor zijn opgeleid, er zijn nauwelijks geneesmiddelen laat staan back-up apparatuur, enzovoorts. De medici doen hun best om te patiënten levend te houden. Docenten werken aan een soort noodonderwijs in een rampgebied.
  • Zonder voorbereiding of voorbereidingstijd moesten universiteiten ineens een soort onderwijs geven dat ze nooit eerder gegeven hadden, waar geen ervaring mee was, met minimale uitrusting, en ga zo maar door.

Hier moet ik een tweede noot plaatsen:
Leren is interactie. Ik heb hier zelfs een oratie over gehouden toen ik hoogleraar werd in Utrecht. Omdat leren interactie is, moeten/mogen studenten niet buiten schot blijven. Studenten hebben hier niet voor gekozen. Evenals docenten kwamen zij hierin terecht zonder het zelf te willen, maar ook zonder voorbereiding en zonder de kennis, vaardigheden, attituden en ervaringen die nodig zijn om in deze situatie goed te kunnen leren.
Tja, dit is alleen anekdotisch dus of het echt zo is of niet weet ik niet, maar het lijkt alsof studenten zelf zeggen– als ik de media mag geloven – dat zij hun tijd niet goed kunnen managen. In mijn woorden hebben zij niet de kennis en vaardigheden die nodig zijn om zelfgereguleerd te leren. Zij zeggen ook dat zij de sturing en begeleiding van de docent missen en dat zij die sturing en begeleiding nodig hebben om goed bij de les te blijven en studeren. Ik zal niet proberen de oorzaken hiervan te verklaren, maar zal alleen een aantal vaak genoemde redenen opnoemen.

Vanuit de neuropsychologie bekeken zou de verklaring kunnen zijn dat het helemaal niet reëel is om te verwachten dat studenten dit kunnen, omdat hun prefrontale cortex nog niet goed c.q. niet volledig ontwikkeld is. Anderen zullen zeggen dat het vanzelfsprekend is dat studenten hun studie niet kunnen zelfreguleren omdat zij altijd ouderwets, docentgestuurd fabrieksonderwijs hebben gekregen. Ik laat in het middel wat de oorzaak is. Een derde reden zou kunnen zijn dat zij de domeinspecifieke kennis niet hebben om hun studie zelf te sturen en reguleren. Wat de reden ook is, constateer ik alleen dat zij het niet kunnen en dat zeggen zij zelf ook!
Hieraan gerelateerd, studenten blijken zich ook niet goed te kunnen concentreren en worden voortdurend – zowel tijdens online colleges als daarna – afgeleid door alle sociale media om hen heen. Om een of andere reden (ik zal hier niet ingaan op de redenen) zijn zij niet in staat om die media en apps – wat ik noem ‘weapons of mass distraction’ – uit te zetten. In een leslokaal kan de docent vragen/eisen dat hun apparaten uit zijn en dit enigszins controleren maar in een afstandssituatie moet de student het zelf doen. En die blijkt dat dus niet te kunnen!
Tot slot, het gemis aan interactie (ook een vaak gehoorde klacht) is ook deels te wijten aan de studenten, of in ieder geval die studenten die weigeren hun webcams aan te doen of bezig zijn andere dingen te doen i.p.v. te participeren. Als docenten studenten niet kunnen zien of als de studenten hun aanwezegheid verbergen, kan de docent ook niet met de student interacteren. Sterker nog, de docent kan niet eens zien of de student werkelijk aanwezig is of alleen ingelogd is!

Verander het woord ‘parents’ in ‘students’
  • Wat ik hier wil zeggen is dat het niet aan de ene (de school/universiteit, de docent) of de andere (de student) ligt. Scholen/universiteiten, docenten en studenten/leerlingen hebben het aan de ene kant heel moeilijk en doen meestal hun best maar aan de andere kant, en niet per se door hun eigen schuld, delen ze de verantwoordelijkheid voor het niveau en de kwaliteit van het onderwijs en het leren.

Vraag 4: Heeft u tips voor zowel docenten en studenten om – binnen de huidige beperkte mogelijkheden – het afstandsonderwijs zo goed mogelijk aan te pakken?

  • Ik heb een video online met 10 tips voor Emergency Remote Teaching.
  • De Open Universiteit heeft online colleges over digitale didactiek gemaakt die gratis zijn voor docenten.
  • Maak gebruik van beschikbare open courseware (MIT, Stanford, enz.).
  • Houd de teugels sterk in handen. Hoewel ik vind dat het nooit de tijd is voor ontdekkend leren en zelfgereguleerd leren, nu moet je het als docent zeker niet doen. Minimaliseer de hoeveelheid vrijheidsgraden, geef sturing (zoals gezegd, studenten geven aan dat zij problemen hebben hun eigen leren te reguleren), probeer studenten te overtuigen al hun sociale media uit te zetten als ze les volgen of aan het zelf studeren zijn, bevorder c.q. eis dat webcams aan zijn zodat je kan interacteren met de studenten. Ik zou zo nog wel even kunnen doorgaan!

Distracted learning a big problem, golden opportunity for educators, students

Although experts say using electronic media while doing schoolwork negatively impacts learning, many students believe they’re immune to any ill effects because they’re good multitaskers, according to recent research.

The objective of this article is to discuss some of the latest research findings associated with distracted learning, including why students, and people in general, get distracted in the first place, and to share some effective approaches and ideas to help our students, and ourselves, get focused. Learning how to become indistractable is an essential and timeless skill for success in education, as well as many other facets of life.

Scientific article (open access):

Schmidt, S. J. (2020). Distracted learning: Big problem and golden opportunity. Journal of Food Science Education, 19 (4): 278 DOI:10.1111/1541-4329.12206

Bron: Distracted learning a big problem, golden opportunity for educators, students

Our Brain Is Better at Remembering Where to Find Brownies Than Cherry Tomatoes

Humans’ spatial recall makes mental notes about the location of high-calorie foods

Yes, there is biologically primary and biologically secondary knowledge and learning. No, our brains haven’t miraculously evolved in one generation (i.e., digital natives).

The article writes: “Our main takeaway message is that human minds seem to be designed for efficiently locating high-calorie foods in our environment,” says Rachelle de Vries, a Ph.D. candidate in human nutrition and health at Wageningen University and lead author of the new paper. De Vries feels her team’s findings support the idea that locating valuable caloric resources was an important and regularly occurring problem for early humans weathering the climate shifts of the Pleistocene epoch. “Those with a better memory for where and when high-calorie food resources would be available were likely to have a survival—or fitness—advantage,” she explains.

Bron: Our Brain Is Better at Remembering Where to Find Brownies Than Cherry Tomatoes

Our Brain Is Better at Remembering Where to Find Brownies Than Cherry Tomatoes

Humans’ spatial recall makes mental notes about the location of high-calorie foods

In the newest Scientific American there’s a nice article about certain types of ‘hard-wiring’ in our brains. 

Yes, there is biologically primary and biologically secondary knowledge and learning. No, our brains haven’t miraculously evolved in one generation (i.e., digital natives).

The article writes: “Our main takeaway message is that human minds seem to be designed for efficiently locating high-calorie foods in our environment,” says Rachelle de Vries, a Ph.D. candidate in human nutrition and health at Wageningen University and lead author of the new paper. De Vries feels her team’s findings support the idea that locating valuable caloric resources was an important and regularly occurring problem for early humans weathering the climate shifts of the Pleistocene epoch. “Those with a better memory for where and when high-calorie food resources would be available were likely to have a survival—or fitness—advantage,” she explains.

Bron: Our Brain Is Better at Remembering Where to Find Brownies Than Cherry Tomatoes

Meta-Analysis or Muddle-Analysis?

Robert Slavin just published this blog about problems with meta-analyses. He writes:

One of the best things about living in Baltimore is eating steamed hard shell crabs every summer.  They are cooked in a very spicy mix of spices, and with Maryland corn and Maryland beer, these define the very peak of existence for Marylanders.  (To be precise, the true culture of the crab also extends into Virginia, but does not really exist more than 20 miles inland from the bay).  

As every crab eater knows, a steamed crab comes with a lot of inedible shell and other inner furniture.  So you get perhaps an ounce of delicious meat for every pound of whole crab. Here is a bit of crab math.  Let’s say you have ten pounds of whole crabs, and I have 20 ounces of delicious crabmeat.  Who gets more to eat?  Obviously I do, because your ten pounds of crabs will only yield 10 ounces of meat. 

How Baltimoreans learn about meta-analysis.

All Baltimoreans instinctively understand this from birth.  So why is this same principle not understood by so many meta-analysts?

For the rest of the blog clock on the pencils 🙂

Dolly Grijpt vroeg in bij Leren Lezen

Deze blog is een verbreding en verdieping van mijn column en blog in het oktobernummer van Didactief.

Wie kent haar niet? Islands in the Stream, Jolene, I Will Always Love You, 9 to 5 (zowel het leidje als de film met Jane Fonda en Lily Tomlin), en natuurlijk haar duetten met Kenny Rogers. Maar wat je misschien niet weet is dat Dolly Parton heeft een flinke impact (gehad) op vroege lezen en geletterdheid. Zo doet ze dat:

Tegenwoordig luister ik naar podcasts terwijl ik auto rijd met mijn vrouw. Laatst luisterde ik naar Dolly Parton’s America, een 9-delige podcast gemaakt door Jad Abumrad die ook Radiolab maakt. In een van de uitzendingen werd gesproken over Dolly’s Imagination Library (verbeeldingsbibliotheek) die hoge kwaliteit, leeftijdsgeschikte boeken gratis stuurt naar kinderen vanaf de geboorte totdat ze naar school gaan, ongeacht gezinsinkomen. Begonnen in 1995 in haar geboortestreek Sevier County, Tennessee en geïnspireerd door het feit dat haar vader niet kon lezen of schrijven, groeide het programma snel. Het werd zo’n succes dat in 2000 het programma uitgebreid werd naar de hele VS (tegenwoordig naar Australië, Ierland, de VK en Canada) en in 2018 had haar verbeeldingsbibliotheek honderd miljoen boeken verzonden.

Benieuwd of het programma ook werkelijk iets uithaalde – zeker in het licht van de verontrustende resultaten van PISA-2018 over de leesvaardigheid van Nederlandse 15-jarigen – zocht ik naar onderzoek hiernaar. Van de vele onderzoekingen, bijna allemaal met positieve resultaten, belicht ik hier drie. Chad Waldron (2018), liet bijvoorbeeld zien dat kinderen die de boeken ontvingen statistisch gezien meer en beter voorbereid waren op lezen en schrijven bij aanvang van groep 3 dan kinderen die niet deelnamen aan het gratis programma. De onderzoekers hadden keurig vooraf gecheckt of beïnvloedende factoren zoal thuissituatie, geslacht, voorschoolse ervaringen thuis en daarbuiten enzovoorts gelijk waren tussen de twee groepen en dat was ook het geval. Hier de resultaten:

Letteridentificatie taak- DPIL (Dolly Parton’s Imagination Library) en Non-DPIL.
(Scores lopen van 0 tot 54).
CAP (Concepts about Print)1 taakcluster: tekst en illustratie oriëntatie-  DPIL and Non-DPIL.
(CAP loopt van 0–2)
CAP taakcluster: woord- en letterconcepten in de teksten – DPIL en non-DPIL.
(CAP loopt van 0 to 4)

Een tweede studie (Ridzi, Sylvia, & Singh, 2014) liet zien dat hoe langer en vaker de boeken voorgelezen en besproken werden een katalysator-/vliegwieleffect had voor het ontwikkelen van vroege leesvaardigheid/leesrijpheid ongeacht leeftijd, ras en geslacht van het kind, inkomen, gevolgd onderwijs en geboorteland van de ouders, of de gesproken thuistaal.

Tot slot lieten Shahin Samiei, Andrew Bush en Doug Imig (2016) zien dat deelname aan het programma significant positief geassocieerd is met zowel hogere vroege taal- als rekenscores, zelfs na controle voor een reeks andere factoren die verband kunnen houden met schoolrijpheid. Al met al, bieden de resultaten ondersteuning voor het inzetten van beleidsinterventies zoals de Imagination Library, bedoeld om de paraatheid van leerlingen voor het basisonderwijs te bevorderen door de toegang tot materiaal voor vroege alfabetisering voor gezinnen met jonge kinderen te vergroten.

Deze resultaten sloot goed aan bij een meta-analyse van de impact van leesinterventies voor leerlingen in de eerste jaren van het basisonderwijs. Russell Gersten en collega’s (2020) voerden een meta-analyse uit naar de effectiviteit van leesinterventies op leerlingen die risico lopen op leesproblemen in groep 3-5. Gebaseerd op de resultaten van 33 rigoureuze experimentele en quasi-experimentele onderzoeken uitgevoerd tussen 2002 en 2017 concluderen zij dat vroege leesinterventies een significant positief effect hebben op leesresultaten van kinderen die een risico opliepen latere leesmoeilijkheden te krijgen op school, d.w.z. kinderen die in de onderste 40% op een gestandaardiseerde leestoets scoorden. Zij keken o.a. naar leesbegrip, leessnelheid (reading fluency) en het kunnen lezen van woorden en ‘nepwoorden’ (de uitkomstmaten). Wat zij vonden was dat de interventies, ongeacht of ze individueel of voor de hele klas waren, wie de interventie uitvoerde (leraar, assistent, onderzoeker) of het aantal uren per week (tussen 45 minuten en ruim 4 uur per week) significante effecten hadden op alle uitkomstmaten. En wat waren de interventies? De auteurs schrijven: “Elke interventie behandelde meerdere aspecten van het leren lezen zoals fonologisch bewustzijn, decodering, vloeiend lezen van passages [EN: passage reading flluency], codering [spelling] en, bij gelegenheid, schrijven. Bijna alle interventies behandelde op de een of andere manier leesbegrip maar woordenschat en begrijpend leesinstructie kwamen zelden voor. Vrijwel alle interventies maakten gebruik van systematische, expliciete instructie” (p. 418).

Jong geleerd is oud gedaan. Wij kunnen, blijkbaar, veel bereiken als wij de kracht van verbeelding gebruiken!

Referenties

Clay, M. (2013). An observation survey of early literacy achievement (3rd ed.). Portsmouth, NH: Heinemann.

Gersten, R., Haymond, K., Newman-Gonchar, R., Dimino, J. & Jayanthi, M. (2020). Meta-analysis of the impact of reading interventions for students in the primary grades. Journal of Research on Educational Effectiveness, 13, 401-427.

Ridzi, F., Sylvia, M. R., & Singh, S. (2014). The Imagination Library Program: Increasing parental reading through book distribution. Reading Psychology, 35, 548-576.

Samiei, S., Bush, A. J., Sell, M., & Imig, D. (2016). Examining the association between the Imagination Library Early Childhood Literacy Program and kindergarten readiness. Reading Psychology, 37, 601-626.

Waldron, C. H. (2018). “Dream more, learn more, care more, and be more”: The Imagination Library influencing storybook reading and early literacy, Reading Psychology, 39, 711-728.


[1] Concepts about Print (CAP) zijn de beginvaardigheden voor geletterdheid die kinderen kunnen verwerven door hen in aanraking te brengen met boeken en lezen. Voorbeelden hiervan zijn het leren dat lezen gaat van links naar rechts (tekstrichting), dat lezen gaat van boven aan de pagina naar beneden, en het kunnen waarnemen van interpunctie. Deze beginvaardigheden voor geletterdheid moeten ontwikkeld zijn voor het einde van de kleuterjaren of vroeg in groep 3 om longitudinaal succes te hebben voor het lezen (Clay, 2013).